HOME

EMAIL INNOXIA

LINKS

GASTENBOEK

STEEN

HEKS VAN DE ESP

Dhr. B. Duppen schreef onderstaande, wat natuurlijk ook nog perfect aansluit:

"Beter laat dan nooit op het World Wide Web"

Evenzo als de mammoetgravure van Lartet destijds bewees, dat de mens gelijktijdig met de uitgestorven ijstijddieren, én het vermogen bezat deze herkenbaar af te beelden, zijn sculpturen van bijvoorbeeld het nijlpaard het bewijs voor menselijke aanwezigheid tussen de ijstijden. Lokaal is volgens het tijdschrift "Cranium" het nijlpaard met fossiele botten voor vrijwel álle warmteperioden over miljoenen jaren tot ca. 100.000 jaar geleden bewezen (zuigpot bij Zwolle). Het oudste menselijke botfragment is er op minstens 1 miljoen jaar gedateerd (Femurfragment Maasvlakte bij Rotterdam: o.a. RU-Utrecht). En zelfs bij de heer Stapert zijn menselijke artefacten tot ca. 350.000 jaar hier acceptabel. Dr. R. Feustel, toch een representant van "conservatieve" opvattingen, schrijft in "Die Anfäge der Kunst"(1987) dat de mens, en dat er zonder twijfel ook nog in oudere vindplaatsen bewijzen van kunstzinnige bezigheden zijn.

Boucher de Crèvecoeur de Perthes (1788-1868) schreef in 1861: (Vrij vertaald in Arch, Ber, 16/105/naar W.M. Newton 1913)

"Bekijk de stenen waarvan je meent dat ze door puur toeval gevormd zijn. Als je ziet dat de afslagnegatieven die je voor toevalsbreuk hield, evenzovele stukken die op diezelfde wijze op dezelfde plaatsen zijn verwijderd, kan dat alleen maar bewijzen dat dit door menselijk ingrijpen gebeurd is. Je twijfel zal helemaal verdwijnen als je inziet dat het fatsoeneren van al deze stukken tot doel heeft een bepaalde gewenste voorstelling te laten uitkomen.

Al deze vuurstenen zijn dus bewerkt, alleen is er gebruik gemaakt van geselecteerde toevalsvormen, die het afwerken vergemakkelijkten. Zo ben ik overtuigd geraakt, en dat zal ook bij jou gebeuren als je veel stukken steeds weer nagaat op vormgeving, en de doelgerichte herhaling ziet, die eraan ten grondslag ligt."

Boucher de Perthes was een verlicht persoon, als zodanig al voorstander van gelijkberechting voor mannen en vrouwen. Dit was vooral een oorzaak van de negatie en afwijzing van de resultaten van zijn originele veldonderzoek, door de door "patriarchen" bezette Sorbonne. De "evolutionisten" Hugh, Falconer, Lyell, Huxley en Evans verwelkomden echter gretig de bewijzen voor het samengaan van door de mens bewerkte stenen met reeds lang uitgestorven dieren. In hun visie zou het nog slechts om "vuistbijlen" kunnen gaan. Dr. Rigollet uit Amiens opende een tegenoffensief. Het zou slechts om natuurproducten en artefacten uit jongere tijdperken gaan. In 1854 begon hij een opgraving om dit aan te tonen. Onmiskenbare artefacten trof hij echter in ongestoorde ligging aan met beenderen van uitgestorven dieren, en hij had de moed, openlijk te publiceren dat hij zich jarenlang vergist had, hij werd een fervent aanhanger.

A. Thieullen was jarenlang vooral tegenstander van de sculpturen uit de oude grondlagen. Maar in 1904 publiceerde hij: (vrij vertaald naar W.M. Newton 1913; in Arch. Ber. 16/1985) "Ik moet tot mijn schande bekennen, dat ook ik leed aan een vooroordeel, waar ik nu nog niet van bevrijd zou zijn, als ik mij niet door een toeval de absurditeit ervan was gebleken. Dank zij een onberedeneerde mening zou ik gedurende vele jaren gedacht hebben dat ik de fout zou gaan als ik ook maar de geringste aandacht had geschonken aan "figuurstenen". Ik wees ze echter af zonder er maar naar te willen kijken, en dat omdat ik altijd had horen zeggen dat het een onmogelijke zaak was, en elk denken eraan, geschift."

Prof. Dr. W. Matthes raakt o.a. bekend met het werl van Ph. Héléna in de opgravingen bij Narbonne in Zuid-Frankrijk. Geheel tegen diens verwachting in, ontdekt deze sculpturen, in steen gehakt, in woonlagen van het "Mousterièn". Daarna ontdekt deze ze ook in het opgravingsmateriaal in jongere woonlagen, tot en met in de Bronstijd. Voorts ook in dieperen lagen; uit het "Acheuléen" en uiteindelijk uit het "Plioceen". De Heer J. Itermann signaleert onafhankelijk daarvan, artefacten met daarbij sculpturen uit groeven bij Aken en Heerlen; ook uit lagen die overdekt zijn met klei uit het "Boven-Plioceen" ("Reuverièn"). Uit Afrika worden sculpturen vermeld van vissen (Acheuléen), apekop en eendekop (Oldowan fase I).

Niet alleen worden vooral na 1975 door diverse particulieren steeds weer "Smildièn" vondsten in Noord-Ierland gedaan. In 1989 meldt Dr. S. Veil uit Hannover in "Archaeologisches Korrespondenzblatt nr. 19" (Red. Dr. G. Bosinski), dat een vindplaats van de Heer K. Breest bij Lichtenberg (Elbe-gebied) meer dan 125 in-situ artefacten opleverde bij een oficiële opgraving. De vondsten komen in álle opzichten exact overeen met die van "Hoogersmilde A&B 1965", en "Hijken-Vorrelveen 1967-68", en er zijn elementen bij, die tot in Polen toe te vervolgen zijn.

Hele massa' s literatuur refereren aan de beschaamde afkeuringen, onterechte valsverklaringen, het onderschuiven van falsifikaten om de zaak in discrediet te brengen etc. ten aanzien van de "grotwandkunst" en de sculpturen/gravures uit de woonlagen van de "IJstijdmens". Zo ook wordt nog steeds her en der getracht, menselijke "afwezigheid" te claimen vóór bepaalde tijdperken, maar . . . herontdekkingen en nieuwe ontdekkingen blijven komen.

De Stichting 'Archeologische Berichten' had in 1990 een expositie in samenwerking met "It Bleekerhûs" met als titel "De Oudste Kunst ter wereld?" (Sculpturen van Neanderthalers èn hun voorouders) Meer dan 300 specimens van ruimtelijke vormingen, sculpturen uit particulier bezit, werden er getoond. Afkomstig, zoals aangegeven, uit o.a. Engeland, Frankrijk, Nederland, West-Duitsland en Denemarken. Dus niet alleen uit Drachten en omgeving. Er was ook aandacht voor lokale pionier-onderzoekers, zoals o.a. de Heer J. van Es die reeds in 1970 in Midden-Limburg begonnen was met verzamelen van sculpturen uit de Steentijd, de Heer Tj. Vermaning (vanaf 1972), de Heer A. Dijkstra (Oosterwolde, inmiddels overleden), de heer P.Mudstra (Saumeer, helaas overleden tijdens de expositie).

De getoonde sculpturen waren niet alleen van vuursteen, maar er was juist een breed scala van gesteenten en mineralen, zoals kwarsiet, kwarts, lydiet, chalcedoon, achaat, jaspis-opaal, kalksteen, graniet, porfier e.a. Bij de vuursteen-sculpturen was er niet één, waarop nog van nature aanwezige "schors", totaal onveranderd aanwezig was. Twee gefossilliseerde mammoetkiesjes werden getoond, oudtijds bijgewerkt tot vormsuggestie van jonge mammoeten. Zes specimens waren moderne replica's, uit kunsthars naar originele vondsten nagegoten. Door middel van grote kleurenfoto's waren er een aantal voorbeelden nadrukkelijk aanwezig. Voor de aandachtige museumbezoekers werden groepjes opgesteld van gelijke vormthema's, die relatief frequent voorkwamen. Thema's, die herkend en ontdekt werden door verschillende mensen uit totaal verschillende landstreken, doorgaans onafhankelijk van elkaar en uit verschillende archeologische context. Uit meer dan 15 particuliere collecties werden deze gelijke vormthema's opgebouwd; o.a. van mensenkoppen, apekoppen, bosolifanten, mammoeten, beren, bizons, vogels, zeerobben en nijlpaarden. De meeste voorwerpen waren nooit eerder geëxposeerd of gepubliceerd, Het zwaartepunt lag op specimen, waarvan de vondstassociatie zo duidelijk voor ons was, dat de vormgeving vóór ca. 35.000 jaren tot stand moest zijn gekomen, ver vóór de datum van de grotwandschilderingen, die na veel tegenwerking en afwijzing, uiteindelijk door de "wetenschap" erkend werden. Hierbij zij nog opgemerkt, dat de sculpturen vooral uit "woonplaatsen" kwamen, die "in het open veld" lagen. De oudste door ons getoonde voorwerpen kwamen uit inmiddels begraven geraakte oppervlakten, stammend uit het Tropische Tertiair; dus volgens de conventionele tijdrekening ruim 2,5 miljoen jaar oud.

Het accent lag op de tentoonstelling in Drachten bewust echter niet op de (oudste) dateringen, maar op het fenomeen dat vanaf Boucher de Perthes, dé grote promotor van de prehistorie, een rij van prominente bezoekers, vaak onafhankelijk van elkaar, soms zelfs aanvankelijke tegenstanders, zoals Dr, Rigollet (later fervent aanhanger van Boucher de Perthes) tot het inzicht kwamen dat de mens uit de Oudste Steentijd kennelijk dankbaar gebruik had gemaakt van de myraden suggestieve natuur- en toevalsvormen in hun leefmilieu. Met soms minimale ingrepenm of door intensievere bewerkingen werden dan de vormen en kenmerken van dieren en mensen geaccentueerd. Soms werd echter de gehele vorm door ingrepen van de mens verkregen.

Reakties

Het was zeer merkwaardig, dat tijdens de expositie tot twee maal toe getracht werd druk uit te oefenen om voortijdige ontmanteling te bewerkstelligen. De tentoonstelling werd daarentegen 2 x verlengd. De aangeschreven media schonker echter geen aandacht aan de expositie, hetgeen op zijn minst vreemd, zo niet verdacht voorkwam. Gezien de negatieve publiciteit in Westerheem 1991-1 zou er toch voldoende aanleiding geweest moeten zijn om het publiek tijdens de duur van de expositie tegen het aldaar "gepleegde bedrog" te waarschuwen, ofwel gnuivend vast te stellen, dat de Stichting Archeologische Berichten in kamikaze-achtige zelfbedrog, bezig was haar reputatie met "zwerfkeien" om zeep te brengen? De "officiële Wetenschap" zweeg toen in alle talen.

Reaktie in Westerheem

Vreemd is ons het fulmineren achteraf door de scribenten Stapert en Boekschoten; overigens een uiterst oppervlakkige en onvolledige weergave van het gebodene, in een orgaan met een beperkte verspreiding, waarvan verschijning pas verwacht kon worden, lang nadat de bewuste expositie beëindigd zou zijn. In hun literatuuropgaven ontbreken alle verwijzingen naar juist de meest relevante positieve publicaties door academici en presentaties op o.a. Wereld Archaeologie Congressen. De grondlegger van het BAI te Groningen en het IPP te Amsterdam; Prof. Dr. A.E. v. Giffen, had in zijn tijd een andere instelling aangaande Steentijdsculpturen. In 1953 zorgde hij ervoor, dat prins A. Juritzki, bij de Stichting Nederlands Museum voor Anthropologie en Prehistorie, de publicatie "Prehistoric Man as an Artist" het licht kon doen zien, en hij liet afgietsels vervaardigen van zijn vondsten van zijn oudtijds bewerkte sculpturen uit de Oude Steentijd uit een tuinencomplex bij Parijs. De spectaculaire vondsten van de Heer Tj. Vermaning verifeerde hij steeds onafhankelijk. Maar hij liet wel weten, dat een dergelijk overtuigend waargemaakt ontdekkingsonderzoek in het buitenland wel eens tot een "eredoctoraat" zou hebben geleid, maar dat daar bij zijn "opvolgers" wel niet op te rekenen zou zijn. (Nog geen tien jaar later, volgde een wel heel brutale degradatie).

Voor wat betreft de tentoonstelling in Drachten, hadden we graag op zinnige kritiek gereageerd tijdens de expositie, deze kwam nu dus echter achteraf, zonder dat wij de te publiceren tekst, illustraties en bronvermeldingen ter inzage kregen. Naar wij vernemen, ciculeerde deze tekst, elders weg degelijk vooraf. Ook ná de publicatie moesten wij zelf maar zien hoe de tekst in handen te krijgen, er was geen enkele gelegenheid geboden om gelijktijdig, in dezelfde uitgave, met repliek en aanvulling te komen. De lezers van "Westerheem" werd aldus de mogelijkheid van een eigen oordeelsvorming onthouden. Alle bruikleen van de expositie waren immers allang retour eigenaars. Niet iedereen heeft de gelegenheid, drommen publiek te ontvangen, en wie presteert het duizenden kilometers te reizen, om meer dan 15 collecties te zien te krijgen.

Stapert en Boekschoten

De namen van beide scribenten kwamen wij eerder nadrukkelijk tegen in de "Zaak Waterbolk en Stapert contra Tj. Vermaning". Deze met zoveel spectaculaire publiciteit gebrachte "zaak" volgde op de iets minder spectaculaire gebrachte bejubelingen van de pioniersontdekkingen van het "Smildièn"; de "mammoetjagerskampementen" in Drenthe. Op 18 maart 1975 voltrok zich te Meppel een reeks 'incidenten', die in de na-oorlogse lokale geschiedenis hun weerga niet hebben. Slachtoffers en ooggetuigen en reconstructies uit de documenten (en afwezigheid ervan), verhalen van een "overval", molest, huisvredebreuk, ontvreemding van privé-bezittingen, schending briefgeheim, onwettige aanhouding en vrijheidsberoving, voorafgaande aan wereldwijde verspreiding van beschuldigingen die sedertdien geen van alle, in de verste verte ooit hardgemaakt zijn. Jarenlange processen volgden. De slachtoffers zijn intussen onder hevige pijnen overleden. Alleen Tj. Vermaning junior vegeteert nog in een gesloten afdeling van een psychiatrisch ziekenhuis. Toen de eerste rook- en stofwolken nog nauwelijks opgetrokken waren, vernam men bij monde van de Heer Stapert, wat de aanleiding van het macabere gebeurde zou zijn geweest. Erg duidelijk werd het niet. Er schijnt een sfeer te hebben bestaan, waarbij alle verregaande pogingen, de vondstgroep met de naam "Eemster" in eigendom te krijgen, en de vindplaats daarvan aan de weet te komen, waren gestrand. Volgens geruchten, zouden de vondsten "naar het buitenland" gaan.

Dr. G. Boekschoten zou op een donkere, regenachtige herfstmiddag, bij een bezoek aan de heer Tj. Vermaning, waarbij zee-egel afdrukken bekeken zouden worden, de aanwezigheid van "recente machinale slijpsporen" hebben geconstateerd. (Naar blijkt, bij vluchtig bekijken op de hand, zonder oogloupe). Ook Dr. L.P. Louwe Kooijmans zou zich na een nogal ongelukkig verlopen aankooppoging, negatieve uitlatingen over de kwaliteit van de vondstgroep "Eemster" hebben gepermitteerd. Welnu, de in de procesvoeringen als "recente, machinale slijpsporen", "aangebracht met elektrisch aangedreven slijpschijf; korund" zijn in meer dan 15 jaar onderzoekingen met alle moderne technische mogelijkheden nog niet waargenomen. (O.a. Dr, G. Boom-Technisch Metaalkunde RU-Groningen; Dr. Kars, ROB-Amersfoort; Dr. W. Janssen, Fysisch Lab. RU-Utrecht). Mochten zulke sporen alsnog opduiken, dan kunnen wij in alle redelijkheid stellen, dat de Heer Tj. Vermaning, met het verstrooid liggen van zijn stoffelijke resten op de plaats van de BAI-opgraving Hoogersmilde A 1965 wel een heel sterk alibi heeft gekregen...

Is het in dergelijke morbide sfeer nog moreel wel acceptabel om zich badinerende en laatdunkende opmerkingen te permitteren, vanuit een soort pretentie, de lokale archeologie "van vreemde smetten vrij" te willen maken? Men behoeft onze bevindingen niet klakkeloos te aanvaarden. Maar afkeuring vermag toch niets aan de hoedanigheid van de vondsten te wijzigen. Wat echter in de Westerheem 1991-1 onder het mom van een "wetenschappelijk" betoog te berde wordt gebracht, komt ons voor als "recidive". De vraag dringt zich op: "Wie controleert de controleurs?"

Paleontologie en geologie

Dr. G. Boekschoten heeft als specialismen, de kennis van fossielen en de geologie. Wat lezen wij echter als omschrijvingen van de gesignaleerde afdrukken van organismen? We lezen dat de zee-egel- en de ammoniet afdrukken als "fossielen" worden aangeduid, terwijl het mammoetkiesje (er waren er dus twee tentoongesteld), juist dat predikaat moest missen. Bij onze beginnende interesse voor fossielen (Vereniging "Gea" en "Werkgroep Pleistocene Zoogdieren") werd ons o.a. reeds duidelijk gemaakt hoe fundamenteel het onderscheid is tussen een "afdruk" van een organisme en het gemineraliseerde organisme zelf. De leek en de dilettant vegen weliswaar alles doorgaans onder de slordige noemer "fossielen", maar een afdruk zal nooit de gedetailleerde informatie kunnen geven, die de "verstening" zelf potentieel kan hebben. De determinatie van de getoonde steensoorten en mineralen laat voorts alles te wensen over. Ten overvloede maakt de Heer Stapert bekend, dat hij het essentiële onderscheid tussen natuurlijke en kunstmatige bewerkingen niet kan geven. In feite zijn we dan, voor wat het technisch gegeven betreft, uitgepraat.

 

Kunst?

Dan blijft nog over, het element "Kunst?". Het ontgaat ons volkomen, waarom na een sterk onvolledig en eenzijdige weergave van het onderzoek naar Steensculpturen, een botgravure van de Heer Lartet wordt opgevoerd. ---->

Van de omvangrijke collectie van Boucher de Perthes is helaas, na bombardementen in twee wereldoorlogen, geen representatief beeld van zijn sculpturen meer te geven. Maar bijvoorbeeld in de "Encyclopedie van de Mens in de Oertijd" (J. Jelinek 1972 - ISBN 0 0251 02255) en in legio andere boeken zijn toch massaal exemplaren van sculpturen uit de Oude Steentijd te vinden? Het lijkt erop, dat de scribenten ook nog nooit gehoord hebben, laat staan gelezen, wat Prof.Matthes schreef en toonde over sculpturen. (Eiszeitkunst im Nordseeraum; 1963). Wij waren juist gelukkig met de uitnodiging door "It Bleekerhûs", waar permanent werk van Drachters gebroeders Rinzema is tentoongesteld, die in hun tijd samenwerkten met een Kurt Schwitters, Theo van Doesburg; er was een opbloei aldaar van kunstrichtingen zoals "De Stijl", "Bauhaus", "Da-da-isme". In donkere jaren tot "entarte Kunst" verklaard en vervolgd, sindsdien hogelijk gewaardeerd.

Stapert en de archeologie

Laten we nu eens kijken hoe het gesteld is met Drachten en omgeving na meer dan 15 jaar (1990) bemoeienissen van de Heer Stapert c.s. met de Oude Steentijd. Daar is dan in feite alleen nog het stuk, dat bekend staat als "De vuistbijl van Wijnjeterp", gemeld door de Heer H. v.d. Vliet in 1947. Edoch, in de Archeologische Berichten nr. 16 (1985) pagina 106 wordt onthuld, dat dit stuk als "zwerfsteen" uit bijvoorbeeld Denemarken of Noord-Duitsland gekomen zou kunnen zijn. Voorts zien wij de heer Stapert (Paleohistoria 18-1976) dat het stuk geheel bedekt is door volstrekt natuurlijke oppervlakteveranderingen. Hoewel .... volgens diezelfde tekst zouden die kenmerken heel eenvoudig recent namaakbaar zijn ...! En ... we zien dat het stuk een .... zee-egel afdruk heeft! Nee.... nog eventjes en het is daar al miljoenen jaren lang een volstrekt cultureel vacuüm. (Wellicht was Tacticus (romeins geschiedschrijver) al op het goede spoor: "Frisia non cantat". Voor de heer Stapert en streekgenoten een geboortestreek om "trots" op te zijn - uniek in de wereld! Maar laten we niet cynisch worden. Hulde aan de durf van de museumconservator van "It Bleekerhûs", die de moed toonde om te helpen bevorderen, dat er een bredere, constructieve aandacht kwam voor het Oude Steentijdgebeuren, zonder nadruk op "egotrips" van recente publiciteitszoekers.

Naast vele onbekende en vrijwel onbekend gebleven particulieren, hebben vele prominenten zich zeer intensief aan Steentijd-sculpturen gewijd, zoals de Fransman A. Thieullen, I. Darvent uit Béthume en W.M. Newton uit Engeland. Meer recent Dr. R. Dart (1959), Dr. M. Leakey (1971), Dr. v. Riet-Lowe, Dr. H. Roche met sculptuurvondsten uit de Oudste Steentijd uit Afrika; tot meer dan 3/4 miljoen jaar oud. Voor Europa is het samenvattende werk van Prof. Dr. W. Matthes bekend, die o.a op het UISPP Wereld Archaeologie Congres te Rome (1962) aandacht vroeg voor de steensculpturen uit de vroegste "Steentijden". In de "Archaeologische Berichten" is er nog maar vrij laat aandacht voor deze potentieel zo grote visuele "informatiebron", die tot ver in het verleden te vervolgen is. Pas in 1982, in de 11e uitgave, komt de heer M. Perdeck met een eerste introductie. De eerste aanzet tot een wat breder overzicht komt pas in nr. 16 (1985) van de A.B., door de auteur/redacteur de Heer J. E. Musch, waarbij hij uitdrukkelijk refereert aan het dan al meer dan 100 jaar bestaan van het onderzoek naar Steentijdsculpturen. Hij pretendeert niet "de eerste de beste" te zijn, noch claimt hij een "monopolie". Deze introductie werd aanleiding tot een invitatie om een "precirculated paper" te gaan verzorgen voor het Wereld Archaeologie Congres 1986 te Southampton. Deze "paper" werd aanvaard en verspreid. Op het congres werd naast de formele, mondelinge presentatie met dia's, een expositie gerealiseerd met enkele honderden vondsten in origineel van Steentijdsculpturen. Verder vele "valsverklaarde" vondsten van het "Smildièn" (lokale varianten van het Achueleen); ontdekt door de heer Tj. Vermaning vanaf 1965, tot 3 x toe positief geverifieerd in opgravingen door BAI- Groningen (Hoogersmilde, A&B 1965; Hijken- Vorrelveen 1968)

Ten grondslag aan dit congres, ligt een duidelijke stellingsname tegen alle vormen van discriminatie en politiek misbruik van de "wetenschap". Opvallend is daarbij het demonstratief wegblijven van vrijwel álle "wetenschappers" uit de "westerse" landen. Zo blijkt onze bijdrage de énige vanuit Nederland te zijn. Specialisten uit o.a. India en Nigeria spreken hun verbazing en ongeloof uit over de "valsverklaring" voor de hen zo overtuigend echte "Smildièn" vondsten, en ook sceptici, beamen in ieder geval, dat de getoonde Steentijdsculpturen oudtijds artificieel bewerkt zijn en van grote interesse. Lokaal is dan de heer J. van Es uit Roermond al vanaf 1970 intensief bezig met onafhankelijk veldonderzoek, waarbij hij o.a. de originele ontdekking deed van "Micro-industrieën", die vergelijkbaar blijken met die van de inmiddels wereldbekende van "Vértesszöllös" in Hongarije en Bilzingsleben" in de vroegere DDR. "Bilzingsleben" leverde de oudste erkende graveringen in been, waarbij een stuk, dat wel als "maankalender" wordt gezien. (Datering op minstens 350.000 jaar oud). De opgravers verklaren, dat de mens dan al over dezelfde capaciteiten beschikt als de huidige.

Vondsten, gedaan in de omgeving van Antwerpen, door de heer Ton Reyers (Breda) bevestigen de artefacten van Dr. A. Rutôt (direkteur van het Museum v. Nat. Hist. Brussel) van rond de eeuwwisseling, uit het Plioceen (meer dan 2,5 miljoen jaar geleden). Onlangs volgde de erkenning van de destijds nog weggehoonde vondsten uit de "stuwwallen", die slechts uit natuurspelingen en importen uit het buitenland zouden bestaan. Kortgeleden werd de hele collectie van het "Midden-Acheul" èn "Oud-Acheul" (tot een ouderdom van ca. 350.000 jaar) uit de Stuwwallen bij Rhenen, aangekocht door het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden.

Een kritische noot

Wij moeten helaas vaststellen, dat wij geconfronteerd worden met de "omkering van de bewijslast". Hetgeen ongrondwettelijk is, en schending van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens betekent. In de "Wetenschap", die pretendeert de Archeologie te presenteren, worden die fundamentele regels helaas niet altijd gerespecteerd. De mentale capaciteiten van de Oude Steentijdmens, zowel als die van de particuliere onderzoeker van nu, worden wel zeer discriminerend laag ingeschat!

van B. Duppen

..|||..Boucher de Perthes..|||..Draagbare erfkeien..|||..Driehoekstenen..|||..Duppen..|||..Fountmaure - Tedde Toet..|||..Gastenboek..|||..Links..|||..Home..|||..Germanen, magie & mysteries..|||..Tjerk Vermaning..|||..Hunebedden..|||.. Trechterbekers..|||..Walther Matthes..|||..Whois..|||..

 

 

Helena graaft op >> KLIK