8. AESIR EN VANIR, EN DE MYTHE VAN DE HEILIGE MEDE
De Germanen kenden twee soorten goden en godinnen, de AEsir (“Azen”)
en de Vanir (“Vrienden”,”Vriendinnen”), en daarbuiten
uiteraard nog vele andere niet-menselijke wezens waarop zal worden ingegaan
in hoodstuk 9. In de Voluspa lezen we al, strofen 21 en 22:
‘Ik herinner mij de eerste oorlog op aarde
toen de goden Gulveig (“Goudroes”)
met speren doorboorden
en haar verbrandden in Eenoogs hal
driemaal verbrandden zij de driemaal herborene
opnieuw en opnieuw, toch leeft zij nog
Heidr (“Glanzende”) noemde men haar
en waar zij ook kwam,
de zieneres van goed geluk, riep zij geesten op
zij behekste wat zij maar kon, raakte in trance…’
Zowel Gulveig als Heidr zijn heiti’s van
Freyja, de meest prominente godin van het Vanir-pantheon.
Er volgden enkele verzoeningspogingen tussen Vanir en AEsir. Zo zouden
Njord en Freyr naar Asgard verhuizen en de twee meest intelligente AEsir,
namelijk Hoenir en Mimir in Vanaheim gaan wonen. In Vanaheim bleek echter
dat Hoenir nergens iets van wist en nauwelijks sprak tenzij Mimir in
de buurt was. De clue zit hem hierin: Hoenir (“snel-denker”,
of “bij-de-hand”), staat net als de raaf Hugin symbool voor
die kant van de hersenen dat het logisch denken omvat, terwijl Mimir
(“memorie”), net als de raaf Munin voor de andere helft symbool
staat, die abstract denken mogelijk maakt. Zonder samenwerking van de
twee hersenhelften is er geen inspiratie of kennis mogelijk. De Vanir
voelden zich bestolen en onthoofdden Mimir en brachten het hoofd terug
naar de AEsir. Odin nam het in ontvangst, plaatste het onder de levensboom
Yggdrasil, bij de bron die vanaf dan Mimir’s Bron zou heten. Wanneer
hij raad zoekt gaat hij vaak naar Mimir’s hoofd, dat hij waarschijnlijk
met behulp van planten in goede staat houdt.
Na nog enkele episodes komen we bij de mythe van de Heilige Mede.
Het belangrijkste verhaal in verband met de Mede der Inspiratie vinden
we in de Proza Edda, geschreven in de dertiende eeuw door de IJslander
Snorri Sturluson. Het gaat als volgt.
De zeegod Aegir vraagt aan Bragi, de god der vertelkunst, waar de kunst
der poëzie vandaan komt. Bragi antwoordt dat er eerst een conflict
was tussen twee groepen goden, de AEsir en de Vanir. Ze belegden een
vredesconferentie en hierbij spuugden de leden van beide zijden in een
groot vat. Uit de ingrediënten van dit vat maakten ze dan een man,
Kvasir geheten. Deze Kvasir was zo wijs dat hij alle vragen die hem maar
gesteld werden kon beantwoorden. Hij reisde de wereld rond om overal
de mensen te onderwijzen. Tot hij door de twee dwergen Fialar en Galar
vermoord werd. Ze goten zijn bloed in drie vaten en mengden er honing
bij, zodat een Mede ontstond die ieder die er van drinkt omvormt tot
dichter of expert in bepaalde materies.
Het verhaal vertelt verder over hoe de dwergen in onmin raken met de
reus Suttung, en hoe ze hem de Mede moesten afstaan wilden ze hun eigen
leven te vrijwaren. Dit verhaal komt Odin, god der dichtkunst, ter ore
en hij trekt erop uit om de Mede terug te winnen. Via list en gedaanteverwisselingen
komt hij terecht bij Suttung en diens dochter Gunnlod. Hij slaapt drie
nachten bij Gunnlöd en in ruil mag hij een slok nemen van elk van
de drie gevulde vaten. Hij slaagt erin alle Mede in een keer op te slorpen,
in maag en mond te bewaren en wil zo vluchten. Tijdens deze vlucht veranderen
zowel Odin als zijn achtervolger Suttung zich in adelaars. Odin verliest
enkele druppels van de Mede uit zijn mond en deze vallen op aarde de
schrijvers van karamelleverzen ten deel. Dan slaagt Odin erin Asgard
te bereiken met kleine voorsprong op Suttung, die Asgard niet binnen
kan. Eens in veiligheid spuugt hij alle Mede in drie vaten: Odrerir,
Son, Bodhn.
Wie van deze vaten dronk, drinkt of zal drinken zijn de werkelijk grote
dichters der mensheid.
Ouder dan de Proza Edda is de Poëzie Edda, waarvan de auteur onbekend
is en die een verzameling van mythen bevat, neergeschreven na het jaar
duizend maar sommige delen zijn zonder twijfel ouder van oorsprong. In
deze Edda vinden we ook enkele schaarse toespelingen op de mythe van
de Heilige Mede. Zo zegt Odin ondermeer:
‘Ik betwijfel of ik er ooit uit was gekomen
uit het hof van de Reuzen
als de schone Gunnlod mij niet had geholpen
die haar arm om mij heen legde’
Nog ouder dan de Edda’s zijn de runen-inscripties die men vooral
in Scandinavië aantreft en die benevens illustraties met drinkhoorns
soms ook het het enigmatische woord ‘ALU’ bevatten. Niet
alle runologen zijn het er over eens, maar velen nemen aan dat het woord
een verwijzing is naar ‘Ale’. Ale slaat tegenwoordig op een
bepaald soort bier en dus niet op mede, maar in oude tijden werd zowel
mede met hop gemaakt als bier met honing – bijvoet, hondsdraf,
gagel en vele andere kruiden werden ook gebruikt om te brouwen - en kon
het woord op beide slaan. In de loop der tijden zou het woord ‘ALU’ een
magische bijklank krijgen en iets als ‘innerlijke macht’ of ‘goddelijke
inspiratie’ gaan betekenen.
Volgens Stephen E. Flowers, in diens boek Runarmal, staat de
ALU-formule voor: ‘Orde in wanorde, een aspect van de “magisch
geladen leegte (“Ginnung”)” waaruit de wereld ontstond.
ALU moedigt ons aan om het subjectieve universum van brein en ziel te
exploreren, en zo hun geheimen te leren kennen… Wanneer juist
aangewend, is het een hulp bij het oplossen van het raadsel dat deze
wereld is.’
Ook in de Poëzie Edda vinden we in het deel Sigdrifumal een
verwijzing naar ‘Ale-runen’ (”ölrunar”).
De Walküre Sigrdrifa leert de held – meerbepaald haar held
- Sigurd de geheimen der runen, de magische symbolen waarvan de letterlijke
vertaling “geheimen” of “mysteries” is. De Walküre
raadt Sigurd aan deze runen op zijn drinkhoorn en nog vele andere plaatsen
te kerven.
Tot slot laten we Odin zelf aan het woord, die na zijn initiatie aan
de mythische boom Yggdrasil, na negen dagen weer te drinken kreeg:
‘Ik kreeg een dronk van de kostbare mede
werd besprenkeld met de Gister der Geest (=Odrerir)
Ik leerde vruchtbaar te worden en werd wijs
Ik groeide en bloeide’
‘Het woord voerde mij van woord tot woord
De daad voerde mij van daad naar daad’
Als we even terugkijken op de samenvatting van deze mythe zien we dat
Odin steeds bi-polair denkt en bi-polair handelt. Zo komt hij de burcht
van de reus door een nauw gat binnen als een serpent, terwijl hij de
burcht verlaat als adelaar. Besef: onderaan, beneden de bodem van de
aarde, leeft het serpent Nidhogg tussen de wortels van Yggdrasil. In
de kroon van Yggdrasil daarentegen loert de adelaar, de hoostgeplaatste
der dieren. Odin, als shapechanger – in het Nederlands “gedaanteverwisselaar” – maakt
zowel gebruik van de chtonische krachten (serpent) als van de transcendente
(adelaar), die hier en op vele andere plaatsen in de mythologie als dieren
vorm worden gegeven.
Er bestaat een term in het Engels, UPG voor “Unconfirmed Personal
Gnosis”, oftewel Niet-bevestigde Persoonlijke Gnosis (kennis).
Een voorbeeld: je ontmoet een Elfje, maar niemand was bij je om het ook
te zien. Volgens de mythologie kan dit maar al te best – het zijn
zelfs vooral mensen die alleen zijn die Elfjes zien! – maar langs
de andere kant is het dus niet bevestigde kennis.
Ik haal dit aan in verband met de rol van Gunnlod. Zou er een affaire tussen
Odin en Gunnlod geweest zijn? Nergens staat dat ze elkaar zoenden, seks
met elkaar hadden of aan seksmagie deden, maar meer dan een paar auteurs
geloven hier wel in - onder de noemer UPG.
In ieder geval: de oorlog tussen de AEsir en Vanir is opgelost, al zullen
er tot het eind der tijden, in elk individu zelf, vele vormen van frictie zijn – “doe
ik het of doe ik het niet?”