HOME

EMAIL INNOXIA

LINKS

GASTENBOEK

STEEN

HEKS VAN DE ESP

Leven in de Oude Steentijd

Onderzoek

Het onderzoek naar het leven in de Oude Steentijd is in Drenthe nog niet zo lang geleden op gang gekomen. Aanvankelijk werd als vaststaand aanvaardt, dat de mens op z'n vroegst tegen het eind van de laatste ijstijd verschenen kon zijn; maximaal 10.000 jaar geleden. Nederland leek steeds een witte vlek op de vindplaats - verspreidingskaarten van archeologen, die wèl met overblijfselen van tientallen en zelfs honderdduizenden jaren geleden konden rekenen.

Sinds 1939 was er hier weliswaar de uit vuursteen gekapte vuistbijl, gevonden door de onderwijzer H. van Vliet bij Winjeterp in Friesland. Maar de slijtage op het stuk werd wel toegeschreven aan natuurlijk transport; een aanvoer met grind van elders. Vanaf 1957 is de schipper en pratijkarcheoloog zich gaan toeleggen op het speuren naar stenen werktuigen uit de perioden vóór de welhaast magische 10.000 jaar. Hij wist van de vele goedbewaarde beenderen van mammoets, bizons, neushoorns die in rivierdalen en op de bodem van de Noordzee waren gevonden, nam hij aan dat ook in Noord-Nederland verblijfplaatsen van deze vroege mens gevonden zouden kunnen worden. Op het aan stenen rijke keileemplateau bij Smilde begon hij aan zijn onderzoek. Hij wist dat daar op de akkers de bodem tot ca. 150.000 jaar geleden toegankelijk was.

De grond is er veel te zuur om veel hoop te geven, dat er nog beenderen in bewaard zouden zijn gebleven. Dus richtte hij zijn aandacht op mogelijke aanwezige stenen werktuigen. Vermaning vond zwaar verweerde werktuigen, die leken op de vondst van Wijnjeterp. Maar buiten zijn vrouw en zijn schoonmoeder was er praktisch niemand die geloof hechtte aan zijn theorieën. Eindelijk, in 1965, veranderde dit op slag toen hij tientallen vuistbijlen, schrabbers, schaven en spitsen ontdekte in een diepgeploegde akker bij Hoogersmilde.

Officiële opgravingen, die volgen op zijn melding aan het Provinciaal Museum voor Drenthe in Assen, bewezen de ouderdom: 65.000 jaar was de voorzichtige schatting. De opgravingen werden uitgevoerd door specialisten van het Biologische Instituut van de Rijksuniversiteit Groningen, in samenwerking met deskundige geologen en bodemkundigen. De opgravingen brachten de totale vondstgroep op 126 bewerkte stenen. Er bleek sprake van twee "slachtplaatsen" van mammoetjagers uit dezelfde tijd. De vondstgroep werd in haar geheel verworven door de tentoonstelling in het Drents Museum in Assen.

 

In 1967 ontdekte de heer Vermaning bij Hijken in Drenthe een woonplaats met meer dan 400 vondsten. Ook van deze mammoetjagers. Een derde officiële opgraving door het B.A.I,. het jaar daarop, bevestigde echtheid en ouderdom. Ook deze groep werd door het Drents Museum gekocht. Eveneens in 1967 vond Tjerk Vermaning nog een vuistbijl, die op een zandwinplaats was opgezogen uit oude grondlagen. De vinder hield er echter rekening mee dat de bijl door rivieren van elders was aangevoerd. De vondsten van Hoogersmilder (A en B) en die van Hijken waren zeker wel ter plaatse gemaakt, gebruikt en achtergelaten. Om redenen die hier niet ter zake doen, zag de inmiddels vermaard geworden praktijkarcheoloog zich in 1972 genoodzaakt, zijn gehele, in meer dan tien jaar opgebouwde collectie prehistorische voorwerpen - ongeveer 60.000 stukken van 125 vindplaatsen - aan het Provinciaal Bestuur van Drenthe over te doen. De welhaast symbolische taxatiesom, vastgesteld door het B.A.I.in Groningen, bedroeg 50.000 gulden.

Na de overdracht van de artefacten besloot de heer Vermaning zich (weer) uitsluitend op het zoeken van fossielen toe te leggen. Maar hetzelfde najaar ontdekte hij een nieuw mammetjagerskamp. Bij Eemster in Drenthe. En een vindplaats van oer-oude rolkei-werktuigen in Overijssel. Terwijl zijn vondsten nog volop in de belangstelling stonden, verzonk de vinder meer en meer in de vergetelheid. Zijn gezondheid was hard achteruit gegaan. Op 18 maart 1975 kwam Vermaning plotseling in het brandpunt van de belangstelling. Op spectaculaire wijze werd hij ervan beschuldigd dat hij al zijn oudere vondsten recent vervaardigd had en dat hij bedrog had gepleegd. In de hierop volgende jaren van processen werden de aantijgingen stuk voor stuk weerlegd. Door natuurwetenschappelijke proeven werden nogmaals echtheid en ouderdom van de geïncrimineerde stukken aangetoond.

Als reactie op de onverkwikkelijke gebeurtenissen is een groeiend aantal praktijkarcheologen - APAN - ijverig gaan speuren naar meer bewijzen van bewoning van 'de lage landen' in de Oude Steentijd. Omdat de beschuldigde personen en instanties zich in hun ogen als ondeskundig maar bovenal oneerlijk gediskwalificeerd hebben, voeren de praktijkarcheologen het onderzoek uit met elkaar en met integer bevonden specialisten uit het buitenland. Niettegenstaande de beschuldiging ging de heer Vermaning voort. Hij ontdekte, bijvoorbeeld, in 1978 nog het 'Micro-Moustérien' in Drenthe, in 1979 menige oude cultuur in Denemarken. Tegelijkertijd spande hij zich in, zijn - meerendeels - jonge navolgers te instrueren.

Dr. C.J.H. Franssen en de archeoloog A.M. Wouters deden het pionierswerk elders in het land. Er werden honderdduizenden vondsten gedaan. De ouderdomsgrens ervan is opgeschoven van ca. 250.000 jaar in 1977, ca. 500.000 jaar in 1980, ca 1 miljoen jaar in 1981 en omstreeks 2,5 tot 3,5 miljoen jaar in 2004. Het beeld over het leven in de Oude Steentijd is aanmerkelijk verduidelijkt. De tot dusver gangbare opvattingen blijken op een aantal wezenlijke punten herzien te moeten worden.

Het leven in de Oude Steentijd

 

Volgens de oude opvatting zou zich ergens in Afrika, rond de evenaar, het proces hebben afgespeeld van de afsplitsing van een in bomen levende apensoort. De afgesplitste soort zou zich, om niet al te duidelijke reden, op de savannen begeven hebben en daar een rechtopgaande houding ontwikkeld hebben. Om in leven te blijven zou dit aap/mensje geprobeerd hebben, kadavers van grote dieren aan te spreken op vleesresten, merg en hersenen. Om die voedingsstoffen met zijn nagels en relatief zwakke gebit te kunnen bereiken, ging het aanvankelijk scherpe stenen gebruiken. Allengs werden stenen doelbewust scherp gemaakt om ze als gereedschap te kunnen gebruiken. Pas vanaf omtrent 500.000 jaar geleden, in een koudeperiode zouden mensen ook Europa schoorvoetend betreden hebben. Terwijl souvenirs aan menselijk verblijf in Afrika op miljoenen jaren gedateerd werden.

Dit verhaal nu, dient volkomen herzien te worden. De slachtplaats van een vroege olifant, met tientallen stenen werktuigen rond het karkas dat kap- en snijsporen vertoont, werd in Griekenland ontdekt. De grondlaag erboven werd op 3,3 miljoen jaar gedateerd. Groot-wiljagers bivakkeerden dus al méér dan 3 miljoen jaar geleden in Griekenland. Tegelijkertijd liepen er in Afrika weliswaar "aapmensen" rechtop maar zónder stenen gereedschap. Vondsten van bewerkte stenen en beenderen met snijsporen, aan het begin van deze eeuw in Midden-Frankrijk gedaan, worden door de vondst in Griekenland weer aktueel. Indertijd werden ze afgewezen omdat ze "te oud" zouden zijn èn omdat ze niet pasten in de theorie over de Afrikaanse herkomst van de "oermens/aapmens". De datering van de basaltlaag op de Franse vindplaatsen van omtrent 4 miljoen jaar, is door de Griekse vondst heel wat minder onaannemelijk geworden.

Het aantal vondsten van hoge ouderdom, dat in Europa gedaan wordt, stijgt nu snel. In Nederland zijn rolkeiwerktuigen bekend waarvan de ouderdom geraamd wordt op ca. 2 miljoen jaar. En het onderzoek is hier nog maar nèt begonnen. Er begint zich nu een beeld af te tekenen van een bewoning in Eurazië -vooral in de kustgebieden- van de vroegste menselijke wezens. Deze leerden zich bedienen van natuurlijke hulpmiddelen, zoals steensplinters, slagstenen, botten, schelpen en tanden om voedsel te verkrijgen. Fruit, groenten, eieren, kleine (week)dieren en vis zouden met handen en tanden gegeten kunnen worden. Maar voor het kraken van schelpdieren en noten, zou handigheid met slagsteen en aambeeld nodig zijn. We dienen te bedenken dat onze soort enkele lichamelijke kenmerken bezit, die in combinatie uniek zijn in de dierenwereld. Opvallend zijn het goeddeels ontbreken van een haarkleed, de opgerichte gang, het meestal in kleur en stereocopisch zien, de grote 'handigheid', een vrij zwak gebit maar daarentegen een behoorlijk vernuft (en destructieve neigingen).

Sommige onderzoekers hebben, op grond van het onderhuidse vetweefsel, de zwemreflex bij pasgeborenen en enkele andere kenmerken, gereconstrueerd, dat de vroegste prehistorische mens een bewoner van zeekusten was. Op de slikken en schorren, in ondiepe poelen, kon deze met zijn gevoelige en beweeglijke vingers vis vangen en woelen naar eetbare dingen. De opgerichte gang is geschikt om te waden en - af en toe - te zwemmen. Zuigelingen konden zich aan het lange haar van de moeders vastklampen. De hoofdbeharing zou verder van nut zijn om zonnebrand te voorkomen. We moeten namelijk bedenken, dat over de gehele aardbol subtropische en tropische klimaten heersten. Planten en diersoorten die nu nog in de Stille Zuidzee en in Afrika voorkomen, hebben een verspreidingsgebied gekend tot op Groenland en Spitsbergen.

Dan doet zich, vanaf een paar miljoen jaar geleden, een soms schoksgewijze klimaatsverslechtering voor. De soorten, die sterk aan hun omgeving waren aangepast, moesten gaandeweg in de richting van de evenaar verhuizen. Door de verschillen in dag- en nachttemperatuur zal juist op onze breedtegraden de aandrang het grootst geweest zijn om degelijke nachtverblijven te construeren en om van alles te doen om het minder milde klimaat het hoofd te bieden. De dichte bossen in het achterland maakten meer en meer plaats voor savannen en grote grasvlakten, waar gigantische zoogdieren in grote aantallen graasden. De kust werd een minder aantrekkelijk gebied om te verblijven. De mens verplaatste zich via rivieren naar poelen en meren in de savannen. De in de verte wel op hem gelijkende soorten - die met een erg doelmatige aanpassing - in bos en savannen verbleven, werden meer en meer in de slinkende tropengordel teruggedrongen. Als chimpansee, gorilla en orang oetan vinden we ze daar nu nog terug; boombewoners, diep in gebergte en oerwoud teruggedrongen. Uit het bovenstaande mag men niet concluderen dat de "blanke" mens uit onze streken dus het meest "mens" is. En evenmin, dat onze soort een typisch-noordelijke herkomst heeft.

Immers: juist bij het blanke ras vinden we nog de meeste gezichts- en lichaamsbeharing. We dienen ook te bedenken dat er ook diverse, langdurige warmteperioden zijn geweest, waarin -tenminste tot in Denemarken- "Afrikaanse" weersomstandigheden heersten. Het is veeleer de wisselwerking tussen de vele klimaatszones onderling, die geleid heeft tot de huidige verscheidenheid van menstypen en leefwijzen. De laatste resten van de leefwijze uit de Oude Steentijd zijn nu verdrongen naar "randgebieden", die zich uitstrekken langs de evenaar zowel als rond de Poolcirkel. Daartussen zijn veel nieuwe beschavingen ontstaan en weer verzonken.

We moeten wel bedenken dat de natuurvolkeren van nu, miljoenen jaren lang, hun bestaansrecht hebben bewezen. En dat ze de hun omringende natuur steeds gerespecteerd hebben. De nu bedreigde chimpansees en gorilla's mogen ons leren, dat we het wel op een heel onnatuurlijke manier hebben aangepakt met onze "beschaving" . . . .

De Werktuigen

De vroegste werktuigen zijn maar moeilijk als zodanig te herkennen. Natuurproducten, die maar even zijn gebruikt, vallen niet op. Meer zekerheid krijgen we als er opzettelijk werktuigen zijn gemaakt. Vooral als het gaat om bekapte rolstenen, geldt dat ze als werktuigen overgankelijk zijn. En dat ze zo het bewijs leveren van de aanwezigheid van de mens in de Oude Steentijd. Uit de aardlagen waarin ze gevonden worden, kan de ouderdom ervan worden vastgesteld. De vroegste werktuigen zijn vooral rolkeiwerktuigen, in het onderzoek aangeduid met de term C.C.C. (Chopper-choppingtool Complex). De gereedschappen van hout, been, hoorn, etc. zijn intussen meestal vergaan. Kenmerk van het C.C.C. is vooral dat maar een klein deel van de steen snijdend is gemaakt. Het grootste deel diende tot handgreep. De afslagsplinters, die vrij klein zijn, werden tussen de vingertoppen vastgehouden.

Het late C.C.C., hier - naar de vindplaats Heidelberg door de ontdekker, dr. A. Rust - aangeduid als "Heidelbergièn", kent al een grote verscheidenheid aan werktuigtypen in steen. Het instrumentarium omvat zowel heel verfijnde priempjes als zware "beenderzagen". Interessant zijn ook de in steen gehakte dierfiguren. Ook zijn sporen van kleurstofgebruik gevonden. De mens van circa 700.000 jaar geleden zal al heel "menselijk" geweest zijn. Zijn werktuigen zijn geslagen in de door A.M. Wouters gereconstrueerde "buffertechniek". APAN-leden vonden talrijke voorwerpen uit deze cultuur in de originele ligging, opgehoopt in lange tijdperken bij Borger in Drenthe, in Utrecht en in Gelderland. Maar ook bijvoorbeeld in Ierland en in Denemarken. Werktuigen in eenzelfde techniek zijn bekend uit Frankrijk en Griekenland maar ook uit China, Korea en Japan.

Omstreeks 500.000 jaar geleden werd het zó warm, dat het nijlpaard tot in Denemarken voorkwam. Logge werktuigen uit deze tijd (VOA, Vroeg-Oud-Acheul genaamd) zijn door Tjerk Vermaning in 1967 in Drenhte en 1979 in Jutland gevonden. Sindsdien werden ze ook op vele plaatsen door anderen ontdekt. De steenbewerkingstechniek die "Afrikaanse" kenmerken vertoont, omvat nu ook de door A.M. Wouters gereconstrueerde "contracoup-techniek". Deze "Afrikaanse" elementen verdwenen, als gevolg van een koudegolf, mèt de latere "Heidelbergtradities", in zuidelijke richting. Opvallend is, dat nu -net als in het C.C.C. miniatuur-werktuigen optreden. In de volgende warmteperiode (300.000 - 250.000) zien we een vooral door zware afslagen gekenmerkte steenindustrie; het "Clacton" of, liever, "OA" of Oud-Acheul. Deze cultuur is vooral typisch voor het gebied rond het Noordzeebekken. De oudste bewaard gebleven houten speer stamt uit deze periode. Op dit "OA" volgt een traditie, die "Afrikaanse" elementen bevat en die gekenmerkt wordt door soms fraaie "vuistbijlen" (snij-instrumenten) en "harchereaux" (echte hakbijlen). De vuistbijlen van Anderen en Wijnjeterp vallen in dit "MA" of Midden Acheul.

In de slotperiode ervan, bij het intreden van een nieuwe, belangrijke koudegolf, komt uit Noordelijke richting een traditie, die vooral gekenmerkt wordt door dunne repen vuursteen. ("Klingen"). Mammoeten en bisons verschijnen nu uit noordelijk Eurazië. Skeletresten wijzen op een menstype, dat veel lijkt op de "moderne" mens. We zijn nu aangeland op ongeveer 170.000 jaar geleden. Een ijstijd bracht keileem over grote delen van Noord-Europa. En mèt die keileem vele stenen gereedschappen uit alle voorgaande perioden. Opnieuw treedt er een warmteperiode in. Daarin verschijnen mammoetjagers van het "Smildièn" ten tonele/ De mens als tijdgenoot van mammoet, bison, paard en beer - met in warmteperioden de bosolifant en het nijlpaard en in koudeperioden de muskusos - laat sporen achter van Caddington in Engeland, op het hele Drentse keileemplateau, Steenwijk-Holstein tot en met Jutland. Met aanwijzingen voor een migratie naar het Zuiden bij het intreden van een nieuwe koudegolf.

Op deze periode volgen vooral "industrieën" met kleine artefacten, zoals het in 1978 door Tjerk Vermaning in Drenthe ontdekte "Micro-Moustérièn" en verwante technieken. Opgravingen in Syrié wijzen erop, dat de erbij behorende mens eveneens klein van postuur is geweest. (Ook zijn er wel "dwergvormen" van olifanten gevonden) Men kan denken aan aanpassingen aan de koude omstandigheden en aan isolement op eilanden. Daarop krijgen we, evenals in de voorafgaande "ijstijd", de groepen die zich opvallend sterk bedienen van repen vuursteen (klingen). En die kunstuitingen nalieten. Onder de nog vrij schaarse vondsten is de "Bison van Norgervaart" thuis te brengen. Opnieuw een ontdekking, uit 1972, van Tjerk Vermaning. Het wordt eentonig, maar de heer Vermaning is nu eenmaal vaal als eerste gekomen met belangrijke ontdekkingen en dat mag vermeld worden.

Na 40.000 - 30.000 jaar geleden valt er in onze streken een onderbreking, Het klimaat drong de bewoning terug tot in de beschermende valleien van Frankrijk en Spanje, waar de kunstuitingen een hoogtepunt bereikten. In de grotten bleven schilderingen, graveringen en beeldhouwwerken het best bewaard. Een deel van de tradities drong tot ver in Afrika door. Totdat omstreeks 13.000 jaar geleden de "rendierjagers" van de "Hamburgercultuur" weer in het Noorden optraden. Na enkele tussenstappen brak, vanaf ongeveer 8.000 jaar geleden de huidige warmteperiode aan, de vaak erg kleine instrumenten van de voedselverzamelaars/jagers/vissers worden niet meer tot de Oude , maar tot de Midden Steentijd gerekend. Omstreeks 5.500 jaar geleden kwam er een omslag naar de vroege landbouw en veeteelt. Hier laat men de Nieuwe Steentijd beginnen.

Bijna gelijkop gaan de technieken van het slijpen van stenen bijlen en het regelmatig toepassen van aardewerk. Deze latere perioden zijn in de meeste musea vrij uitvoerig toegelicht. Bij de hele opsomming van opeenvolgende culturen van stenen gebruiksvoorwerpen zouden we al gauw uit het oog kunnen verliezenm, dat de leefwijze van de mens voornamelijk bestaan zal hebben uit andere dingen dan het slaan en gebruiken van stenen gereedschappen. Uit de bestudering van natuurvolkeren blijkt dat ze veel tijd besteden aan zang, dan en "gezelligheid"; dat zo mogelijk driekwart van de dagelijkse voeding bestaat uit de door vrouwen ingezamelde groenten, bessen en noten en dat de jacht, hoe spectaculair ook, maar in een fractie van het dagelijks voedsel voorziet. Wel is de jacht van groot belang voor het prestige van de mannen en voor de sociale relaties in de groep. Omdat de mens een typische "langslaper" is en omdat hij wordt verwekt, geboren en verpleegd en tenslotte overlijdt in bed, is een (meerpersoons) woning voor hem onontbeerlijk.

Uit opgravingen is gebleken, dat de onderkomens van de mens voornamelijk bestonden uit een framewerk van jonge, gebogen boompjes en takken, die vaak bedekt worden met plantaardig materiaal. Zulke hutten waren door een getraind team van bouwers snel op te richten. Ze konden dienst doen voor de periode van verblijf op één plek. En dat verblijf duurde nooit erg lang. In de nog grenzen-loze wereld trok men naar believe en volgens de wisseling der seizoenen. Het is in feite nog steeds een groot raadsel, waarom de oude, stabiele leefwijze nog maar een paar duizend jaar geleden werd ingeruild voor een nogal agressie ingrijpen in het natuurlijke milieu; het platbranden van bos om veldvruchten te kunnen verbouwen; het temmen en houden van diersoorten die zich daartoe leenden. Waar de mens verscheen, legden planten- en dierenleven gaandeweg het loodje. Andere leefwijzen werden verdrongen. In een omonkeerbaar proces werd een steeds ingwikkelder technologie noodzakelijk.

Natuurlijk biedt onze wijze van leven pluspunten vergeleken met het leven in de Oude Steentijd. Maar het is niettemin goed, te beseffen, welke weg de mens van toen naar nu heeft bewandeld.

Men heeft recent de Neanderthaler herzien. Er werd een schedelfragment gevonden en schelpen waarin zij make-up bewaarden. Etcetc.


..|||..Boucher de Perthes..|||..Draagbare erfkeien..|||..Driehoekstenen..|||..Duppen..|||..Fountmaure - Tedde Toet..|||..Gastenboek..|||..Links..|||..Home..|||..Germanen, magie & mysteries..|||..Tjerk Vermaning..|||..Hunebedden..|||.. Trechterbekers..|||..Walther Matthes..|||..Whois..|||..

Brief van B. DuppenHelena graaft op Boucher de Perthes