HOME

EMAIL INNOXIA

LINKS

GASTENBOEK

STEEN

HEKS VAN DE ESP

Tjerk Vermaning - Zeer Kort samengevat

De directe aanleiding van Vermaning's irritatiespoor sproot naar zijn zeggen voort uit de laatdunkende behandeling die hij van Groningse zijde ontving. Hij wenste niet als louter "steentjeszoeker" aangesproken te worden. Zijn aspiraties lagen ietwat hoger. Hij wilde ook wetenschappelijk meetellen. Een cultuurprijs die hij 1966 van de provincie Drenthe kreeg vond hij sympathiek, maar een dergelijk eerbetoon stelde wetenschappelijk niets voor. Voor het Biologisch Archeologische Instituut was hij hofleverancier van oudheidkundige vondsten.

Lees vooral door in De onderste Steen van Fred Vermeulen

(De onderste Steen - Fred Vermeulen - recht en wetenschap in de knel: De Zaak Vermaning - Stichting rapportage Doetichem 1980 - Fred Vermeulen (40 in 1980) is redacteur bij de Winschoter Courant. Eerder werkte hij bij de Groninger Universiteitskrant. Aldaar kwam hij in aanraking met ongebruikelijke werkwijzen aan het Biologisch Archeologisch Instituut. Toen de zaak TJERK VERMANING steeds grovere en groteske vormen aannam, voelde hij zich geroepen de onderste steen boven te brengen.)

 

en Steen des Aanstoots van Ton Hulst voor het gedetailleerde verhaal. (Tjerk Vermaning - STEEN DES AANSTOOTS - Ton Hulst - ISBN 90 6062 30 10 - Uitgeverij J. Niemeijer, Groningen - 1975

Ton Hulst - De auteur kent Tjerk Vermaning vanaf de eerste belangwekkende vondsten. Na de arrestatie van de amateur-archeoloog voerde Ton Hulst een oud voornemen uit: een boek over Vermaning. In "Tjerk Vermaning" Steen des Aanstoots wordt het beeld geschilderd van een leven vol armoede en miskenning, terwijl ruim aandacht wordt gegeven aan de spectaculaire ontwikkelingen tijdens en na de arrestatie. Is Vermaning een tweede Van Meegeren? Voor de auteur goldt echter als achtergrond: een volstrekt vertrouwen in de échtheid van Vermanings onvoorstelbare ontdekkingen, waarmee de hele wetenschap op de tocht werd gezet.)

Na de rechtzaak

Leemdijk Biface 1969 - Foto 1983 Prov. Best. Drenthe - Beeldrecht Jan Evert Musch - Hoezó Géén Glans ? Fotograaf: Gerrit Oosterveen

Blauwmeer Bi (multi) face 1967 - Foto 1983 Prov. Best. Drenthe - Beeldrecht Jan Evert Musch Fotograaf: Gerrit Oosterveen

Hijker Vorrelveer - 1967 - Foto 1983 Prov. Best. Drenthe - Beeldrecht Jan Evert Musch Fotograaf: Gerrit Oosterveen

 

Wie het boekje "De onderste steen" leest kan er niet meer omheen; er is op een wijze, die wetenschappelijk onwaardig is, geknoeid met feiten. Een theorie dan wel gedachtenspinsel van een archeoloog is in staat een Nederlandse rechter te verleiden tot een veroordeling. In Assen is het immers gebeurd, al is dat vonnis nu vernietigd. Het gerechtshof te Leeuwarden hield zich wijselijk buiten het gekrakeel echt of vals. Van een gerechtshof worden geen wetenschappelijke uitspraken verwacht. De beschuldigingen over kunstmatige glans en kunstmatige krassen zijn door de verdediging overtuigend weerlegd. Het Hof had deze twee feiten zonder bezwaar in zijn arrest kunnen vastleggen. Het is absurd te veronderstellen dat anno 1975 het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk niet in staat zou zijn vast te stellen of een steen wel of niet was overdekt met glanspatina.

De opeenstapeling van verdraaiingen, halve waarheden, pertinente onjuistheden, insinuaties, door de aanklagers en hun medestanders voor, tijdens en na het proces Vermaning onophoudelijk rondgestrooid, kan onmogelijk meer worden toegeschreven aan een reeks incidentele "vergissingen". Daarvoor zijn zowel aard als omvang te ingrijpend. Tot op de dag van vandaag -2010- zijn de spectaculaire vondsten van Vermaning actueel.

Vermaning's Goede naam en eer werden aangetast. Uiteindelijk werden de betreffende stukken als niet vervalst aangemerkt en Tjerk Vermaning werd vrijgesproken.

Citaat uit "de onderste steen"

Fred Vermeulen © 1980 - 2004

 

Een document van A.N. van der Lee - © 1978

DE VONDSTEN VAN TJERK VERMANING IN HET KADER VAN HET OUD EN MIDDENPALEOLITHICUM IN NEDERLAND

A. Uitgangspunten

1. De vondsten van Tjerk Vermaning zijn door talrijke Nederlandse Vondsten voorafgegaan. De aard en omvang van Vermaning's vondsten behoeven geen wantrouwen op te wekken.

2. Er is slechts een gradueel en geen principieel verschil tussen de vondsten van Vermaning en die van andere Nederlandse archeologen.

3. Oud- en middenpaleolithische vondsten zijn in het verleden bijna altijd met scepsis ontvangen.

4. Oud- en middenpaleolithische vondsten kunnen op vier manieren worden afgewezen:

- Door ze tot spelingen van de natuur te verklaren

- Door ze belangrijk jonger te dateren

- Door ze weliswaar als echt en oud te accepteren, maar herkomst uit het buitenland aan te nemen

- Door ze moedwillige vervalsing te verklaren

 

B. Geschiedenis van de vondsten tot 1950

De oudste vermelding betreft twee vuistbijlen, die in 1852 of 1860 gevonden zouden zijn te Bathmen. Later schrijft Stapert dat ze wellicht uit Frankrijk afkomstig zijn. Dit lijkt plausibel. J. Hamal-Nandrin en J. Servais uit Luik beschrijven in 1923 Moustérienvondsten uit St. Geertruid. Later wordt door Oppenheim beweerd, dat deze vondsten neolitisch zouden zijn. Stapert sluit zich daarbij aan. In 1923 vindt J. Luinge een vuistbijl in Rolde, wegens het ontbreken van bepaalde ouderdomskenmerken tracht Stapert de vondst onder te brengen in het Mesolithicum of Neolithicum, hoewel hij dit zelf eigenlijk niet plausibel vindt. J. Thisse vindt in 1937 een prachtige vuistbijl in grond, die van Rijckholt is aangevoerd. De door Bursch in 1939 gepubliceerde kaart met vindplaatsen heeft bijna uitsluitend te maken met spelingen van de natuur, zoals Wezep, Vollenhove, Oldenbroek, Craailo, Diepenheim. In 1939 wordt de vuistbijl van Wijnjeterp (strijdbijl van Wijnjeterp) gevonden, die later Vermaning inspireerde tot het zoeken naar Oud- en Midden-Paleolithicum in Drenthe. In hetzelfde jaar vindt J.M. Minnema de schaaf van Wouterswoude. In 1942 komt te Bergeijck een scrabber met sterk afgesleten ribben aan het licht; publicatie ervan volgt pas veel later. In 1947 erkent Oppenheim slechts één paleolith, namelijk de vuistbijl van Rimburg, gem. Ubach over Worms. In 1924 was bij de Demaniale Mijn te Kerkrade eveneens een vuistbijl gevonden, die in een fossielencollectie belandde en waarvan bij "herontdekking" werd gesuggereerd, dat ze van elders zou zijn aangevoerd. In Etten komt in 1948 een bifaciale spits aan het licht.

C. De situatie rond 1954

In 1954 verschijnt een overzicht van de 14 op dat moment bekende vondsten. De meeste ervan komen uit Limburg. Hiertoe behoren het door F. Smeets gevonden vuistbijltje van Echt en de vondsten van het Leudal bij Neer, waar minstens 4 artefacten zijn gevonden. Later ging het gerucht dat deze stukken uit Zaïre zouden komen. In Hatert wordt door een scholier een gebroken vuistbijltje gevonden. Het gerucht, dat dit stuk via een antiquair uit Engeland zou zijn geimporteerd, kon gemakkelijk worden weerlegd. Kort na de publicatie worden te Rijckholt een prachtige vuistbijl en een limace gevonden door Jean Rompelberg en A. Wouters. In 1955 wordt in Mill een vuistbijltje gevonden, maar deze vondst wordt pas in 1977 bekend.

D. De jaren 1960 - 1965

In 1961 vermelden Bruin en Bunte een schaaf, die te Emmen gevonden zou zijn. Te Anderen komt een pracht van een vuistbijl te voorschijn. Beide vondsten worden door Stapert erkend. De biface van Klijndijk wordt echter tot neolitische sikkel gedegradeerd. In 1964 vindt A. de Kleuver uit Veenendaal de eerste vuistbijl van de Stuwwalafgraving bij Rhenen; deze wordt door Stapert tot pseudo-artefact verklaard.

E. De vondsten van Tjerk Vermaning

Na enkele losse vondsten ontdekt Vermaning in 1965 de concentraties van Hoogersmilde. In 1966 volgen o.a een viertal artefacten uit Ravenswoud, die later bij wijze van betaling worden overgedaan aan tandarts van de Poel te Oosterwolde. In 1967 komt de vindplaats Hijken aan het licht, evenals de vuistbijl van de Blauwmeer en die van de Voshaar, welke laatste door Mevr. Vermaning wordt gevonden. De Leemdijkbijl wordt in 1969 gevonden. De echtheid van al deze vondsten, met uitzondering van de vuistbijl van de Voshaar, is aangevochten in het rapport van Stapert. Ook de vondstencomplex van Eemster, gevonden in 1974, is door hem vals verklaard, zelfs ongezien. De vondsten van Tjerk Vermaning onderscheiden zich van de tot op dat moment gedane vondsten in Nederland doordat ze:

- het resultaat zijn van doelbewust en gericht zoeken

- grotere vondstcomplexen betreffen.

Op grond van eerder gedane vondsten in Nederland en in ons omringende gebieden konden dit soort vondsten echter niet uitblijven. Hoewel ze van grote wetenschappelijke waarde zijn, moet men de betekenis ervan ook niet overschatten. Ook zonder deze stukken zijn er in Nederland voldoende stukken gevonden om aan te tonen, dat ons land in het Oud en Midden Paleolithicum bewoond is geweest.

F. Vondsten elders in Nederland tussen 1965 en 1975

In 1968 publiceert van Haaren maar liefst 45 vondsten uit Limburg, waaronder de vuistbijl van Sweikhuizen, die tezamen met twee andere artefacten werd gevonden. Aan het strand van Catzand wordt een groot aantal artefacten verzameld. Idzard Vonk uit Balk vindt sinds 1969 talrijke oude stenen werktuigen op het strand van Vlieland. In Noord-Brabant worden diverse losse vondsten gedaan, zoals de vuistbijl van Bakel, de spits en schaaf van Bladel, het Faustkeilblatt van Eersel en een aanhoudende stroom van vondsten uit Empel.

G. Vondsten na 17 - 3- 1975

Een positief effect van de zaak Vermaning is wel, dat vele amateurs erdoor zijn gestimuleerd om doelgericht te gaan zoeken naar oud- en middenpaleolithische artefacten. Dit heeft geleid tot nieuwe vondsten, die in aantal en ouderdom de vondsten van Tjerk Vermaning verre overtreffen. Het plateau van Rijckholt leverde o.a. de vuistbijl van John van den Berg op, dit stuk werd door Stapert gedetermineerd als een neolithische pic. Daarnaast werden er oude artefacten verzameld door o.a. Roebroeks, Hutschemakers en Dijkstra. De meest spectaculaire vondsten zijn gedaan bij de zandafgravingen van de stuwwallen bij Rhenen en Lunteren en bij de zandzuiger te Oosterhout. Vooral de combinatievondst van resten van de bosolifant met drie vuistbijlen en 13 afslagen spreekt tot de verbeelding. Aanvankelijk zijn de stuwwalvondsten door Stapert als pseudo-artefacten weggewuifd. Later, nadat buitenlandse experts ze hadden erkend, werd de herkomst in twijfel getrokken. Bij de zandzuiger van Angerlo zijn interessante vondsten gedaan. Ook in Drenthe werden vele nieuwe vondsten gedaan, o.a. bij de Blauwmeer.

H. Parallellen met de zaak Vermaning

De geschiedenis van het archeologisch onderzoek kent affaires, die sterk doen denken aan de zaak Vermaning en waarbij eerst later bleek, dat er van vervalsing geen sprake was, zoals de ontdekking van de grotschilderingen van Altamira door De Sautuola en de zogenaamde vervalsingen van Glozel door Fradin. De laatste is onlangs gerehabiliteerd; dit zou ook met Vermaning moeten gebeuren. Daarna zullen de Nederlandse archeologen zo snel mogelijk weer de handen ineen moeten slaan om de grote taken aan te pakken, die mede als gevolg van de heilloze polarisatie rond de zaak Vermaning zijn blijven liggen. ------> A. N. van der Lee ----> 1978

Literatuur:

Arts N en P. Dijkstra: Paleolithische vondsten uit de Kempen in Brabants Heem, 1973, nr. 3 --- Bohmers A. en Aq. Wouters: Früh- und mittelpaläolitische Funde aus den Niederlanden, Palaeohistoria 3, 1954 --- Bruyn A en E.H. Bunte: Twee duizend eeuwen Nederland, 1961 --- Buma J.T e.a.: De waarheid over Tjerk Vermaning, 1978. --- Bursch. F.C. en F. Florschütz en I,M van der Vlerk: An early palaeolithic site on the Northern Veluwe, in Kon, Ned. Academie van Wetenschappen, vol XLI nr. 8, 1938. --- Byvanck, A.W. : De voorgeschiedenis van Nederland, 1941. --- Cartailhac. E.: La grotte d'Altamira, Mea culpa d'un sceptique, 1902. --- Franssen C.J.H en A.M Wouters, Archeologisch onderzoek van de stuwwallen in de provincies Gelderland en Utrecht. AB nr.1, 1977. --- Franssen C.J.H en A.M Wouters, Kort bericht over een recent gevonden skelet van de bosolifant in relatie met het Midden-Acheuléen, in Westerheem 1978, AB, nr 1. --- Franssen C.J.H en A.M Wouters, De kenmerken van stenen artefacten en steencomposities in het proces tegen Tjerk Vermaning, in AB. nr2. 1978 --- Giffen. A.E. van: Verslag van de Commissie van Bestuur over het Provinciaal Museum van Oudheden en Geschiedkundige voorwerpen aan de Gedeputeerde Staten over 1923, Assen, 1924. --- Haaren, H.M.E.: Palaeolithic artifacts from Limburg, in Berichten ROB 18, 1968 --- Hamal-Nandrin, J en J. Servais: Revue Anthropologique, 1923. --- Lee, A.N. van der: Een paleolithisch werktuig uit Catzand, in Westerheem, 1969, nr. 5 --- Lee, A.N. van der: Het grondgebied van 's - Hertogenbosch in pre- en protohistorie, in Bossche bouwstenen, 1978. -- Maréchal, Jean en Jaques thisse: Découverte d'un biface paléolitique à Saint- Gertrude, in Bull. de la Soc. Royale des Sciences de Liège, 1942 --- Minnema, J.M.: In Nieuwsblad van Noordoost Frieslang, 6-11-1974. --- Musch, J.E. en A.M. Wouters: Oud en Middenpaleolithische vondsten uit particulier bezit in Nederland, in AB nr. 3, 1978 --- Oppenheim R.: Palaeolithicum, in Gedenkboek van Van Giffen, 1947. --- Stapert D..: Voorlopig rapport over de steentijdvondsten van Tj. Vermaning in Westerheem, 1975, nr2. --- Stapert Dick, Middle paleolithic finds from the Northern Netherlands, in Palaeohistoria XVIII, 1976. --- Stapert, D.: De vuistbijl van Eersel, een nieuwe middenpaleolithische vondst uit Noordbrabant, in Brabants Heem, 1976, nr.3. --- Stapert, D. : De vuistbijl van Mill (N.Br) en de verspreiding van de midden-paleolithische vondsten in Noord-Brabant, in Brabantse Oudheden, 1977. --- Stapert, D. : Een paleolithische benen retouchoir van Empel (N.Br.) in Musiologia nr. 7-1-1977. --- Stapert, D. : Empel (gem Empel en Meerwijk), in Archeologisch Nieuws, 1978. --- Veerman, J.P.: Van Mousterien tot Tjonger; vuursteen en andere vondsten van Catzand-strand, in Westerheem, 1972, nr, 6 --- Veerman, J.P. : Gerolde vuursteen, goede grondstof voor prehistorisch gereedschap, in Westerheem, 1977, nr. 4. --- Waals, J.D. van der en H.T. Waterbolk: The Middle Palaeolithic finds from Hogersmilde, in Palaeohistoria XV, 1973. --- Willems. J.H.: Een paleolithische vuistbijl te Sweikhuizen (gem. Schinnen) in Sprekende bodem 5, 1969. --- Wouters, Br. Aquilas: Het Palaeolithicum en Mesolithicum in Limburg, in publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg, deel LXXXVIII - LXXXIX, 1952 - 1953. --- Wouters, Br. Aquilas: Voorneolithische Culturen in Brabant, in Brabantse Heem, VI, 1954. --- Wouters, A.M.: Artefacten uit de citrustraditie, in AB nr. 2, 1978 (AB = Archeologische Berichten)

 

 

 

 

Klik voor het volgende artikel